In een heel klein land, Appelflapland geheten, gebeurde er een heel zonderlinge
geschiedenis. De bewoners leefden er alleen van appels : oostappels, westappels,
renetten, enz... .De notaris en de dokter hadden ook wel eens een abrikozenboompje
in hun tuin maar de meeste waren werkmensen en aten 's morgens appelmoes,
's middags appeltaart en 's avonds dronken ze een appelwijntje met gestoofde
appelen.
In de winter heerste er hongersnood want in die tijd dachten de
mensen nog niet aan een appeltje voor de dorst.
Zoals in alle sprookjes is dit weeral heel lang geleden toen God nog
kon spreken. Niemand zou ooit van dit landje gehoord hebben, was er niet
dat eigenaardige kereltje geweest waarover dit sprookje vertelt.
Het mannetje woonde in een eenvoudig klokhuisje. Op het eerste gezicht
leek hij een heel normale mens te zijn maar hij kon zo van die speciale
windjes laten, geen vieze winden zoals die van de boeren maar hele lichte
die op de koop toe nog naar appelbloesem roken. De mensen hadden hem dan
ook al gauw de bijnaam 'het windemannetje' gegeven. Vooral de kinderen
speelden graag in zijn buurt want als hij er eentje liet vliegen, voelden
zij zich zo bedwelmend gelukkig en zagen overal regenboogkleuren. De winden
van het windemannetje waren zo licht, dat zijn ganse klokhuisje aan het
zweven ging als hij een tijdje binnen zat. Dan zette hij het raam op een
kiertje en daalde het huisje weer zachtjes op de begane grond. In het begin
konden de mensen hierom lachen maar toen hij het gemeentehuis, de zustersschool
en de kruidenierswinkel de lucht had laten ingaan, werden ze het een beetje
beu want ze dachten er niet altijd aan, dat ze aan het zweven waren en toen
ze naar buiten wilden, trokken ze de deur wagenwijd open en stortte het
ganse gebouw met donderend geraas tegen de vlakte.
Bij de keizer kwamen er
alsmaar meer klachten binnen en hij stuurde een paar gendarmen naar het
windemannetje met de opdracht hem te doen ophouden. Daar aangekomen klopten
de wetsdienaren aan, verontschuldigden zich en draaiden een grote kurk in
het mannetje zijn achterwerk.
Twee weken verstreken zonder één incident. Maar de zondag
van de derde week, toen het mannetje inkopen ging doen op de markt, ontstond
er zo'n grote druk in zijn buik, dat de stop er met een dubbele knal uitschoot.
Iedereen keek verschrikt op maar enkele ogenblikken later lag het ganse
marktplein bezaaid met marktkramers en boodschappendoeners die op de grond
rolden van puur genot. Ze voelden zich allemaal zo gelukkig als God in Mesopotamië
want in die tijd woonde God nog niet in Frankrijk. Toen de keizer dit ter
ore kwam, werd hij heel bezorgd en liet onmiddellijk al zijn ministers naar
de vergaderzaal komen.
"Mijne heren, dat veelbesproken mannetje moet uit
de gemeenschap verwijderd worden" sprak de keizer. "Als al onze landgenoten
regelmatig op de grond liggen te dromen, dan schuilt daar een groot gevaar
in. Wat er op de markt gebeurd is was gelukkig op een zondag. Stelt U zich
voor dat dit op een werkdag zou gebeuren, dan betekent dit een catastrofe
voor onze economie."
Al de ministers deden alsof ze de keizer begrepen hadden
en gaven hem groot gelijk. Nu was de vraag : hoe raken we van de rustverstoorder
af? Hem in de gevangenis werpen was geen oplossing want die zou dezelfde
dag nog aan diggelen vallen. Zijn hoofd afhakken mocht ook niet want hij
was geen moordenaar.
Een jonge minister stak de hand op en stelde voor: "We
kunnen hem even buiten de stad aan een boom binden, daar kan hij winden
laten zoveel hij wil, niemand zal er door gehinderd worden."
Dit vond de
keizer een prachtig idee en de minister mocht als beloning op vervroegd
pensioen gaan want de keizer had niet zo graag dat iemand anders slimmer
was dan hij.
Nu werd een gans peloton soldaten en een deurwaarder naar het
windemannetje gestuurd. De deurwaarder stapte zonder kloppen binnen en sprak
met administratieve stem : "Wilt U hier Uw naam zetten ?"
Omdat de deurwaarder
zo onbeleefd was, draaide het mannetje zijn naam opzettelijk achterstevoren
en schreef 'Torp'.
De soldaten omsingelden hem en stapten in gestrekte
draf het huis uit. Na een lange mars kwamen ze aan in een klein bos dat
als een eilandje tussen de groene weilanden lag. De soldaten zochten de
grootste boom uit en de eer kwam toe aan een reusachtige beuk die met zijn
enorme kruin het ganse bosje domineerde. De gevangene werd vastgebonden.
Er waren twee marinesoldaten meegekomen om de knopen te leggen. Een ganse
mand appels werd in zijn bereik gezet, want hij mocht niet van de honger
omkomen.
De soldaten maakten rechtsomkeer en verdwenen een tijdje later achter
de heuvels. Het mannetje vond dit alles een misplaatste grap en protesteerde
met een dreunende wind. De beuk begreep niet goed wat hem overkwam maar
hij werd plots onwel en verloor al zijn bladeren. Het was een ware stortvloed.
Het arme windemannetje stak tot onder zijn neus onder de beukenbladeren.
Toen de beuk besefte dat hij daar nu helemaal naakt stond werd hij zo rood
als een beuk. Een oude knotwilg, die al zijn ganse leven in de schaduw van
de reus stond, lachte nu heimelijk in zijn knot.
Toen de beuk dit zag werd hij woedend en begon al de andere bomen uit te schelden. Vanuit zijn kale
kruin riep hij de herfst. Met slaperige ogen kwam de herfst aangesloft.
"Wat gebeurt er?" vroeg ze "Is het al herfst ?"
"Kijk wat je gedaan hebt!" bulderde de boom, "Het is allemaal jouw schuld!"
"Maar dat heb ik niet gedaan" stamelde de herfst.
"Wie doet er hier de bladeren vallen, de zomer zeker?!" snauwde de beuk.
"Nee , zoiets doet de zomer niet," gaf de herfst toe, "maar ik ben het ook niet geweest."
"Verdwijn uit mijn ogen!" barstte de boom uit, "Je bent oerdom en op de koop toe nog
een leugenaar ook!"
De herfst droop nee schuddend af en dronk zich van
pure miserie een stuk in haar jaargetij.
"Ik ben onschuldig", snikte ze en viel als een blok in slaap.
Nu sliep de herfst maanden en maanden.
De zomer was al lang voorbij en de winter had reeds zijn vriezemannetjes uitgestuurd.
Die keken nogal verwonderd op toen ze zagen dat alle blaadjes nog aan de
boom hingen en overal bengelden nog sappige vruchten aan de takken.
"Wat krijgen we nu?" vroegen de vriezemannetjes zich af.
"De herfst heeft zich zeker overslapen."
Maar het was toch te laat om haar te gaan wekken
want het was nu volop winter geworden en zij moesten ook klaar zijn met
hun werk tegen de tijd dat de lente kwam.
Op één nacht was
het ganse landschap omgetoverd in één grote slagroomtaart
en als de zon opkwam begon alles te schitteren als diamant.
Toen de winter dit zag was hij zeer tevreden van zijn vriezemannetjes en ze mochten allemaal
voor een week naar Zwitserland.
Nu was het zo, dat er voor elk land een andere lente, zomer, herfst en winter was.
En daar hadden de herfsten wel degelijk hun taak vervuld.
Er heerste overal hongersnood nu het winter was geworden.
Toen de keizers van denaburige landen te weten kwamen dat er in Appelflapland
nog fruit genoeg was, stuurden zij kooplieden uit om daar appels te gaan
kopen.
De appelflaplanders plukten en verkochten duizenden kilo's appels.
Zo hard hadden ze nog nooit gewerkt en zoveel belastingen hadden ze nog
nooit betaald.
De schatkist raakte zo vol, dat er een tweede moest bijgemaakt
worden. De keizer was nu zo verschrikkelijk rijk geworden, dat hij eraan
dacht om een groot feest te geven in het paleis en al zijn landgenoten uit
te nodigen.
Maar hij vroeg zich toch af aan wie ze deze vruchtbare winter
te danken hadden. Hij zond zijn ganse opsporingsbrigade het land in om de
weldoener op te sporen want die mocht in geen geval op het feest ontbreken.
Een herder die toevallig langs de beuk voorbijkwam, had het windemannetje
zien staan en vroeg hem waarom hij daar vastgebonden was. Het windemannetje
vertelde hem het ganse verhaal van de deurwaarder, van de ruzie tussen de
beuk en de herfst en van de vriezemannetjes.
"Maar dan ben jij het , naar wie iedereen zoekt!" riep de schaapherder.
"Kom, ik maak je los en breng je dadelijk naar de keizer."
Met open armen werden ze ontvangen in het paleis
en het grote feest kon beginnen. De vrouwen van de vooraanstaanden werkten
met hun ellebogen om zo dicht mogelijk bij de beroemde held te zitten en
de prinsesjes keken hem met verliefde blikken aan.
De boeren dansten de
polka met de vrouwen van de ministers en de ministers op hun beurt walsten
met de boerinnen.
De ganse nacht werd er gesmuld en gedronken ; een ware braspartij was het
en niemand merkte, dat het ganse paleis heel hoog tussen de wolken hing.
|